VOLKSMISSIE
Een paar jaar voor de laatste oorlog, werd te Antwerpen een tentoonstelling gehouden, met als onderwerp : "De mens, het wonder dat hijzelf is". Dat was prachtig, maar bijzonder buitengewoon leerrijk. Bij deze tentoonstelling werden regelmatig voordrachten gehouden door dokters, specialisten, apothekers, niet op een geleerde, maar op een tamelijk eenvoudige manier, over de wondere bouw van het menselijk lichaam, over bloed en klieren, over het haar en de huid. Vele bezoekers hebben daar met open mond geluisterd en moeten bekennen nooit te hebben geweten, dat het lichaam van de mens zo ingewikkeld, maar zo harmonisch schoon gebouwd is, dat alle organen daar zo volmaakt samenwerken en dat alles er zo fijn is geregeld. Wij kennen niet voldoende de wonderen en kunstwerken die wij in ons lichaam ronddragen.
Laten wij eens even een menselijk oog van dichtbij bekijken. De vorm, de plaatsing van al die kleine onderdelen in onze ogen maken ze tot een hoogst ingewikkeld, en volmaakt kijkapparaat..
Vooreerst was er een heel bijzondere zenuw nodig, om het zien mogelijk te maken. Want, zoals wij met ons tastgevoel, b.v. in onze vingertoppen, de hardheid of de gladheid, de hitte en de koude van de stoffelijke dingen waarnemen, door heel speciale zenuwuiteinden, zo moeten wij ook de verschillende lichttrillingen en de kleuren kunnen onderscheiden, willen wij echt zien..
De gezichtszenuw vertrekt uit onze hersens en komt achter in het oog binnen, waar zij in het netvlies ontwikkelt. Dat netvlies, dat de achterkant, langs binnen, van de oogbol vormt, bestaat dus uit de veelvuldige vertakkingen van de gezichtszenuw. Dat netvlies is wel het meest bewonderenswaardig samenstel van zenuwuiteinden in het menselijk lichaam. Het bestaat uit ten minste acht verschillende lagen, waarvan de buitenste, die dus de binnenkant van de oogbol vormt, de werking van het licht, dat door de oogappel binnenkomt, opneemt. Deze eerste laag van het netvlies wordt gevormd door een buitengewoon groot aantal uiterst fijne vezeltjes, die rechtstaan als de haartjes van zacht fluweel. Dat zijn voor het grootste gedeelte zeer dunne draadjes, die men daarom kristalstaafjes noemt; gedeeltelijk lopen ze puntiger uit en dan noemt men ze kegeltjes. Deze twee soorten draadjes zijn met grote regelmatigheid naast elkaar geplaatst als een uiterst fijn mozaïek op de bodem van het oog. Zij hebben maar 1/200e van een millimeter doorsnee en men heeft berekend dat op elke vierkante millimeter op de bodem van onze ogen wel van dertien- tot veertienduizend staafjes en kegeltjes zijn ingebouwd. Zij dienen dus om de lichttrillingen op te nemen en door te geven langs de gezichtszenuw naar de hersens. Gemiddeld neemt het heel netvlies in ons ogen 500 billioen lichttrillingen per seconde op..
Denkt u nu eens in hoe fijngevoelig, en tevens hoe veerkrachtig en sterk dat netvlies moet gebouwd zijn om zo maar onvermoeid het heel leven door de kleuren en de vormen van de voorwerpen op te nemen; terwijl het gezichtsveld toch bijna de helft van de horizon bedraagt en het oog het licht in allerhande sterkte waarneemt van de flauwste lichtschijn tot het verblindende zonnelicht..
Dat is de gezichtszenuw. Nu moet er nog een werktuig zijn, dat de opgevangen stralen gelijkmatig over het netvlies verdeelt en het beeld vormt in de gezichtszenuw. Dat is ook wonderschoon aangepast! Het harde oogvlies, de oogbol, is maar op één plaats, aan de voorkant, doorschijnend om de lichtstralen door te laten. Achter deze opening bevinden zich de middenstoffen, die de lichtstralen breken, gelijkmatig over het netvlies verdelen en op het netvlies een beeld vormen in ‘t klein van de voorwerpen die wij bekijken. Deze straalbreking wordt vanzelf in onze ogen gewijzigd naargelang het voorwerp dichter bij staat of verder af. De kristallens, die de stralen verdeelt, wordt boller of vlakker en het beeld wordt altijd juist over het netvlies verdeeld gelijk op welke afstand het voorwerp zich bevindt waarop wij onze ogen richten..
Nog enkele bijzonderheden, die het kunstwerk volmaken. De twee ogen, op een zekere afstand van elkaar geplaatst, bewerken het zien van de afstand tussen de dingen. Drie dubbele spieren doen de ogen in alle richtingen draaien. De vooruitspringende oogkassen beschermen de tere organen voor ruw geweld, de oogleden beschermen de ogen tegen lichtere schokken en de fijne ooghaartjes beschermen het oog tegen het stof. De oogleden, die door de traanklieren gedurig vochtig gehouden worden, glijden bij het knippen elke keer als een natte spons over de oogspiegel en houden hem schoon en glanzend, gereed om de hele dag door de lichtstralen te ontvangen en door te geven..
Dat is nu maar een klein voorbeeld genomen in ons eigen lichaam! Ziet ge hoe alles met zorg is afgewerkt in de natuur. En wij hebben maar enkele bijzonderheden kunnen geven. Zo zouden wij in ons lichaam gedurig nieuwe wondere dingen ontdekken, neem b.v. het ingewikkeld snarenstel in onze oren, als een muziekinstrument met ongeveer 3.000 kleine snaartjes, die meetrillen op de geluiden van buiten..
Wij zouden voorbeelden kunnen nemen in het plantenrijk. Wij zouden met een vergrootglas en met sterkere apparaten de schoonheid van de bladeren en de bloemen kunnen bewonderen. Dan zouden wij verstomd staan voor al die pracht en heerlijkheid die wij zo onachtzaam voorbijgaan in de levende natuur..
Nu weet ik wel, dat sommige geleerden beweren dat alles eenvoudig door een jaren- en eeuwenlange ontwikkeling stilaan gegroeid is. Maar kom, laat dat ook nog waar zijn, wie heeft die ontwikkelingsmogelijkheden in de eerste levende wezens gelegd, wie heeft die ontwikkeling dan geleid? Laat uw verstand spreken en weest eerlijk met uzelf!.
De Evangelisten verhalen niets anders dan wat zij zelf gezien hebben of tenminste van getuigen hebben vernomen. Twee van de Evangelisten, Mattheus en Johannes, zijn zelf Apostelen en hebben heel het openbaar leven van Jezus meegemaakt. De anderen hebben in hun regelmatige omgang met de Apostelen voldoende de feiten kunnen kennen. Daarbij, hetgeen ze opschreven was in ‘t publiek gebeurd, in tegenwoordigheid van een ontzaglijke menigte, vrienden van Jezus, maar ook vijanden van de Zaligmaker. En die vijanden van Jezus hebben nooit getracht de feiten zelf te loochenen, de mirakelen zelf te ontkennen. Wel hebben zij er een andere uitleg aan gegeven en gezegd dat Jezus met de duivel omging ook al..
Ge zult nu toch niet beweren dat de Evangelisten alle vier aan zinsbegoocheling leden, want dan moet ge dat ook aannemen van al de joden die de feiten hebben meegeleefd, vrienden en vijanden. Niemand heeft geprotesteerd of getracht de feiten te loochenen door de Evangelisten verteld..
Zij hebben niet kunnen bedriegen, want toen de Evangelisten hun boek schreven, leefden er nog zeer veel getuigen van de feiten die ze verhaalden. Indien hun vertelling niet met de waarheid ware overeengekomen, hoe zou het dan mogelijk zijn dat die werken dadelijk overal als de echte geschiedenis van Jezus zijn aanvaard?.
Wij mogen de kwestie van de betrouwbaarheid van de Evangeliën gerust op deze manier besluiten. Dit vraagstuk is jarenlang onderzocht door de geleerden van de katholieke en van de protestantse Kerk. Alles werd in deze kwestie voldoende gewikt en gewogen en het besluit is : wij hebben in de tekst van de vier Evangeliën de echte geschiedenis van Jezus' leven, lijden en dood. De feiten die daarin zo eenvoudig, zo ongekunsteld, maar tevens zo fijn verteld worden, zijn gebeurd zoals ze daar staan en wij mogen die mirakelen gerust aanhalen als bewijsstukken voor de echtheid en de goddelijkheid van Jezus' zending..
(vrij naar ‘De Catechismus op de Preekstoel' van Dr. Th. V. NYS, O. PRAEM)
