De geschiedkundige betrouwbaarheid van de Evangeliën

Zijn de evangelieteksten wel geschiedkundig betrouwbaar?

Ziedaar dus de vraag die wij moeten onderzoeken. - Eerst een kleine opmerking. Voor ons katholieke mensen hebben de evangelieteksten, zoals trouwens alle teksten van de Heilige Schrift, een heel bijzondere waarde. Volgens ons geloof immers zijn niet alleen de Evangeliën, maar alle boeken van de Heilige Schrift geschreven onder ingeving en de bijzondere bijstand van de Heilige Geest. Zij behelzen het woord van God en kunnen niet missen in zaken van geloof en zeden. Met die heel bijzondere bovennatuurlijke waarde van de evangelieteksten houden wij hier nu geen rekening, waar het gaat over de verdediging van onze christelijke godsdienst tegenover andersdenkenden. Wij beschouwen de Evangeliën als louter menselijke boeken en stellen de vraag in hoever zij geschiedkundige waarde hebben, in hoever zij dus te betrouwen en geloofwaardig zijn.

Zo opgevat valt de kwestie van geschiedkundige waarde van de evangelieteksten al dadelijk uiteen in drie ondergeschikte vragen.

  1. Zijn de Evangeliën echt : d.w.z. Gij zegt dat de vier Evangeliën geschreven zijn door Mattheus, Markus, Lukas en Johannes. Is dat waar?
  2. Is de tekst van het Evangelie ongeschonden bewaard? - Laat staan nog, dat die vier personen waarlijk het Evangelie hebben geschreven, komt hetgeen wij nu in handen hebben in onze hedendaagse boeken, nog overeen met hetgeen de vier Evangelisten over zoveel jaren hebben neergepend? Is daar te goeder of te kwader trouw niets aan bijgevoegd, niets uit weggelaten, niets in veranderd?
  3. En dan een laatste vraag, van het allergrootste belang : bevatten die boeken de zuivere waarheid? Zijn dat geen verzinsels van die vier mannen.


Als wij op die drie vragen een voldoende geruststellend antwoord geven, dan pas kunnen wij aannemen dat de evangelietekst geschiedkundig betrouwbaar en geloofwaardig is. Dan mogen wij de feiten die daarin verteld staan als bewijs aanhalen en gebruiken.


De echtheid van de Evangeliën

Zijn de vier Evangeliën werkelijk geschreven door de vier personen onder wiens naam zij nu bekend staan en nog worden uitgegeven : Mattheus, Markus, Lukas en Johannes? Wie kan dat weten? - Eerst en vooral, de tijdgenoten van de schrijvers zullen ons daarover kunnen inlichten. Welnu, omtrent de echtheid van de Evangeliën hebben wij overvloedige getuigenissen van mensen die wel niet met de Apostelen en Evangelisten zelf hebben samengeleefd, maar die hun tijdgenoten nog heel goed hebben gekend.

De oudste getuigenissen omtrent de echtheid van de Evangeliën zijn uit de tijden die juist volgden op de dood van de Apostelen.

Wij kunnen ze natuurlijk niet allemaal gaan opsommen, dat zou een lange, saaie uiteenzetting worden. Eén enkel voorbeeld. De heilige Irenaeus, een der geleerdste mannen van de christelijke oudheid, die als bisschop van Lyon gestorven is en zelf een geschiedenis van de eerste jaren van de christen Kerk geschreven heeft, verklaart dat hij zich voor de echtheid van de Evangeliën beroept op twee mannen die hij zelf goed gekend heeft, op de HH. Polycarpus en Papias, die zelf nog persoonlijke leerlingen waren van de heilige Apostel Johannes.

Dat is maar één voorbeeld. De getuigenissen zijn zo talrijk, zelfs voor die eerste tijden, dat er geen enkele geleerde meer gevonden wordt, noch bij de katholieken noch bij de andersdenkenden, die aan de echtheid van de Evangeliën zou durven twijfelen.


De ongeschondenheid van de evangelietekst.


Een tweede vraag die zich opdringt, als wij het vraagstuk van de betrouwbaarheid van de Evangeliën onderzoeken, is de volgende : Laten wij nog aannemen dat werkelijk, zoals ge zegt, Mattheus, Markus, Lukas en Johannes de Evangeliën geschreven hebben, hetgeen wij nu lezen in onze evangelieboeken, is dat nog dezelfde tekst? Is die tekst ongeschonden gebleven bij al dat afschrijven, overdrukken en vertalen? Wij mogen daarin heel gerust zijn.

Van de Evangeliën bestaan zowat 500 exemplaren met de hand geschreven. Ze zijn gemaakt tussen de jaren 300 en de zestiende eeuw. Sinds de tijd dat de boekdrukkunst is uitgevonden, heeft men het geduld niet meer gehad om met de hand over te schrijven.

Nu moet ge weten dat in de oudste handschriften, die heel kunstig gemaakt zijn op zwaar papier of perkament, alles werd geschreven in hoofdletters. Daarbij lieten ze tussen de woorden in geen ruimte, zodat de woorden vast aaneengeschoven staan zonder punten en komma's. Nu verstaat ge heel gemakkelijk hoe het komt dat er verschillende lezingen zijn bij het herhaald overschrijven van zo'n tekst in aaneengeschoven hoofdletters. De ene afschrijver zal b.v. deze twee letters nog bij het voorgaande woord rekenen, terwijl een andere afschrijver ze bij een volgend woord bijtelt. Zo komen er ontzaglijk veel verschillen in de verschillende handschriften. Rekent daar nog de fouten van onoplettendheid, van vergissing, enz. bij en ge zult niet meer verwonderd zijn, als wij u zeggen dat er honderden varianten of verschillende lezingen zijn in die vele handschriften. Welk is dan de juiste tekst?

Wel, eigenaardig genoeg, de meeste van die kleine verschillen zijn zo onbeduidend dat ze hoegenaamd geen verandering brengen aan de betekenis van de zin. Op een paar plaatsen na is de betekenis heel duidelijk gebleven en is er geen enkele plaats van de evangelietekst die belang heeft voor de geloofspunten, waar de minste twijfel bestaat omtrent het juiste woord of de oorspronkelijke lezing.

Trouwens, al had nu nog iemand te kwader trouw de tekst willen veranderen, hoe zou dat gelukt zijn? - Er was geen enkel boek in de oudheid zo verspreid als het Evangelie, bij katholieken zowel als bij andersdenkenden. Moesten de katholieken het beproefd hebben, ge zoudt dadelijk het protest hebben gehoord van de anderen, zoals de katholieken nu protesteren tegen de weglatingen die de protestanten in hun uitgaven soms doen. Wij mogen dus heel gerust zijn : de tekst die wij in handen hebben komt in alle punten overeen met wat de Evangelisten zelf hebben geschreven. De tekst is voldoende ongeschonden bewaard om volkomen bruikbaar en geloofwaardig te zijn.


De waarheid van het Evangelie

Maar nu de laatste vraag : bevatten die evangelieverhalen de zuivere geschiedkundige waarheid? Zijn dat geen vertelsels door de Evangelisten zelf uitgevonden? - Dat zult ge niet meer zeggen als wij u aantonen dat de Evangelisten zelf de feiten hebben meegeleefd of van getuigen hebben vernomen en dat zij daarbij niet hebben kunnen bedriegen, al hadden zij ook dat inzicht gehad.

  1. Jezus is met Goede Vrijdag waarlijk gestorven. De doodsvijanden van Jezus, de Farizeeën en Schriftgeleerden waren er vast van overtuigd.  Zij zouden  er anders wel voor gezorgd hebben hun slachtoffer eerst te doen afmaken : het was hun te goed gelukt!  De H. Johannes een ooggetuige en ook de andere Evangelisten verklaren dat en hoe Jezus aan het Kruis de geest gaf.  De soldaten, die speciaal gestuurd waren om de genadeslag toe te dienen aan de terechtgestelden, om de benen te breken volgens de gewoonte, zijn aan Jezus voorbijgegaan, omdat zij zagen dat Hij toch reeds overleden was.  Trouwens de lanssteek toegebracht om de dood vast te stellen, zou voldoende zijn geweest om Jezus in ieder geval te doen sterven.    Pilatus  heeft  het  lichaam  van  Jezus  door  Jozef van Arimathea niet laten begraven alvorens hij de ambtelijke verklaring gehoord had van de onderofficier van de wacht, dat Jezus werkelijk overleden was.
  2. Jezus is daarna werkelijk in leven gezien. Het verzegelde graf werd de morgen van de derde dag door een ieder, door vriend en vijand, door de leerlingen en door de soldaten van de wacht ledig gevonden : alleen lagen er nog de opgevouwen doeken. Sinds eeuwen heeft men naar een aanneemlijke verklaring gezocht van dit geheimzinnig feit. Ooggetuigen verzekeren Jezus na Zijn dood in Zijn verrezen lichaam gezien te hebben, niet één keer, niet tegen de avond of tegen de morgen bij de schemering, maar op klaarlichte dag, van dichtbij en herhaaldelijk. Die ooggetuigen zijn talrijk : verschillende vrouwen die tot de volgelingen van Jezus behoorden, Maria Magdalena, Petrus, de leerlingen van Emmaüs, de Apostelen samen zonder Sint-Thomas, de Apostelen met Thomas erbij, zeven Apostelen en enkele leerlingen aan het meer van Genezareth, toen ze terug aan hun werk waren gegaan, meer dan vijfhonderd leerlingen tegelijk. Niet alleen hebben zij Jezus gezien, maar zij hoorden Hem spreken, zij raakten Hem aan, zij betastten Zijn wonden, zij aten met Hem, ontvingen van Hem nog allergewichtigste mededelingen.


Deze ooggetuigen waren verre van lichtgelovig. Ze weigerden eenvoudig te geloven als er iemand kwam vertellen Jezus gezien te hebben. Zij gloofden zelfs hun eigen ogen niet. Zij zouden nog getwijfeld hebben als zij met hun handen Jezus werkelijk lichaam betastten en Sint-Thomas gaf zich alleen maar gewonnen als zijn voorwaarde vervuld was : "Eerst moet ik de vinger steken in de wonden van Zijn handen en mijn hand in de opening van Zijn zijde, eer zal ik niet geloven" (cf. Joh. 20, 25). Tenslotte waren die leerlingen zodanig van Jezus echte Verrijzenis overtuigd, dat zij zich hebben laten geselen, heel hun leven hebben gewerkt om dat geloof te verspreiden, hun prediking met nieuwe mirakelen van Godswege bevestigden en ten slotte de marteldood ondergingen om getuigenis af te leggen voor de waarheid van hetgeen zij verkondigden.

Wie na dat alles rustig te hebben overwogen nog durft twijfelen aan de echtheid van Jezus' Verrijzenis, is niet meer waard dat ge hem iets uitlegt. Op hem zouden de woorden van Christus toepasselijk zijn : als hij iemand voor zijn ogen ziet opstaan uit de doden, dan zou hij nog niet geloven (cf. Luk. 16, 31). Jezus' Verrijzenis is even zeker als Zijn overlijden.

En nu herhalen wij u wat wij bij het begin van deze onderrichting zegden : als Jezus waarlijk verrezen is, dan deed Hij dat door Zijn eigen macht ofwel door de macht van God. Stond Hij van de doden op uit eigen macht, dan is Hij waarlijk God, deed Hij het door Gods macht, dan is tenminste de goddelijkheid van Zijn zending voor elk mens met gezond verstand klaar en duidelijk bewezen.

(Vrij naar ‘De Catechismus op de Preekstoel' van Dr. Th. V. NYS, O. PRAEM)