De evangelieverhalen bevatten de zuivere geschiedkundige waarheid : het leven, lijden en dood van Jezus Christus zijn daar verteld zoals werkelijk de feiten zich hebben voorgedaan over meer dan negentienhonderd jaar. Leerlingen immers van Christus zelf en tijdgenoten hebben de feiten opgetekend zoals zij ze zelf hadden meegemaakt of van getuigen hoorden beschrijven en de tekst door hen te boek gesteld, is voldoende ongeschonden tot ons gekomen. Daarom hechten wij volledig vertrouwen aan de geschiedkundige waarde van de evangelieverhalen.
God kan nooit toelaten dat er echte wonderen gebeuren tot staving en ondersteuning van de leugen en van het bedrog. De mirakelen zijn een bewijs voor de goddelijkheid van iemands zending. Dat wil zeggen : als iemand beweert van God gezonden te zijn om de mensen te leiden en te onderrichten en hij kan zijn bewering steunen op feiten die een goddelijke macht veronderstellen, dan zegt het gezond verstand ons dat die persoon waarlijk recht van spreken heeft. Met die twee feiten voor ogen : de betrouwbaarheid van onze evangelie-teksten en de bewijskracht van het mirakel gaan wij een algemeen overzicht nemen van de wonderen door Jezus gedaan gedurende Zijn leven, heel dikwijls zelfs, zoals ge zult horen, met het bepaalde inzicht het bewijs te leveren voor de echtheid van Zijn goddelijke zending.
- Veelvuldigheid van Jezus' Mirakelen. Er is bijna geen enkele bladzijde in het Evangelie waar niet een of meerdere wondere feiten vermeld worden die door Jezus werden verricht. De Zaligmaker doet zich kennen als de opperste Heer en Meester van de natuur. Zieken en gebrekkigen van allerlei aard werden bij Hem gebracht niet alleen uit het Heilig Land, maar zelfs uit aangrenzende vreemde provinciën. Hij genas hen door de oplegging van Zijn hand, door de aanraking van Zijn klederen of door een geheime kracht, zegt het Evangelie, die van Hem uitging. Hij verandert water in wijn, vult op wondere wijze de netten van de Apostelen met vissen, vermenigvuldigt het brood voor de maaltijd van duizenden, bedaart de stormen, drijft de duivel uit en wekt de doden terug op tot het leven. En toch vermeldt het Evangelie alleen maar de wonderen, die ter wille van de omstandigheden het meest indruk gemaakt hebben; de andere worden maar terloops herinnerd als alledaagse feiten ... Jezus genas de zieken, enz.
Van de talrijke wonderen die met alle omstandigheden in het Evangelie verhaald worden en die ge zeker allemaal kent uit de regelmatig terugkomende zondagsevangelies vermelden wij alleen maar de volgende :
1. De genezing van een lamme. De Farizeeën waren er getuige van. Daarbij was er zoveel volk dat ze met de zieke op het plat dak klommen en de platen van het oosters dak wegschoven om zo de zieke neer te laten voor Jezus' voeten.
2. De twee vermenigvuldigingen van brood. Deze feiten hebben een grote betekenis als wonder, juist omdat er zoveel mensen bij aanwezig waren en er van genoten hebben. Al die duizenden mensen hebben daar kunnen vaststellen dat Jezus maar een paar broden en enkele vissen had om al dat volk te spijzen en elke keer bleven er volle korven brokstukken over.
3. De genezing van een blindgeborene, door de H. Johannes zo treffend verhaald. Jezus geneest een blindgeborene door hem slijk met speeksel gemengd op de ogen te leggen. Dat feit heeft grote betekenis als wonder, omdat de Farizeeën, de grote vijanden van Jezus, die nochtans geen dommerds waren, een regelmatig gerechtelijk onderzoek instelden naar de echtheid van het gebeurde. Ze hebben de blinde zelf ondervraagd en ook zijn ouders om de blindgeborenheid te doen bevestigen. Dat onderzoek geeft aan dit wonder een buitengewone bewijskracht.
4. Verschillende opwekkingen van doden. Het getal opwekkingen moet aanmerkelijk groot zijn geweest, als wij de tekst aandachtig lezen. De leerlingen van Johannes de Doper laten vragen of Christus de Messias is. Jezus zegt hun aan Johannes de werken van de Profeet bekend te maken : blinden zien, doven horen, kreupelen gaan, zegt Jezus, en doden verrijzen. Het moet dus een tamelijk alledaags wonder geweest zijn, te oordelen naar hetgeen Jezus aan Johannes laat berichten.
- Omstandigheden van de wondere feiten door Jezus gedaan. - Wij moeten ook letten, om de zware bewijskracht van die mirakelen aan te voelen, op de omstandigheden waarin ze gebeurd zijn.
1. Die feiten zijn gebeurd op klaarlichte dag, in het bijzijn van al wie het zien wilde, in het bijzijn soms van duizenden toehoorders en toeschouwers, in het bijzijn van Jezus' ergste vijanden, bekwame mannen genoeg om alle bedrog te onderscheppen en te ontmaskeren. De feiten loochenen konden ze niet, maar ze zegden wel eens dat Jezus met de duivel omging. Dan vergaten ze natuurlijk dat Jezus ook duivelen uitdreef. Jezus heeft hun dat eens fijn gezegd : hoe kan Ik met de duivel omgaan, als Ik de duivel uitdrijf? Ik kan toch de duivel niet tegen de duivel uitspelen?
2. Die feiten waren zo schitterend en zo tastbaar dat iedereen, de meest eenvoudigen en onwetenden, het wonderdadig karakter ervan konden erkennen. Het was alleen maar nodig dat een mens daar ogen en oren had en gezond verstand. Een dode terug tot het leven doen komen, nadat de dood volkomen bevestigd is, zelfs nadat de ontbinding van het lijk is ingezet, vereist meer dan menselijke macht. Dat verstaat iedereen met een klein beetje gezond verstand. Een blindgeborene genezen met slijk en speeksel, ja, daar zouden ze op onze dagen wel een andere uitleg voor gaan zoeken ... Maar zieken genezen op afstand : "Ga maar naar huis, het geschiede zoals ge geloofd hebt" ... dat eist toch een absolute macht over de krachten van de natuur (cf. Matt. 8, 5-13).
AMDG
