Is Jezus Christus God? Het is niet hetzelfde dat Jezus als ware Godsgezant recht heeft op onze eerbied en onze dankbare liefde en dat Jezus als God aanspraak maakt op onze aanbidding. Ook Mozes was een waar Godsgezant; ook hij heeft een geopenbaarde godsdienst gesticht en zijn gezag bevestigd met mirakelen, maar het kwam toch nooit bij zijn tijdgenoten op hem als God te aanbidden. Is Jezus God, dan brengen wij Hem de goddelijke eer van de aanbidding. Dan hebben Zijn woorden en daden niet alleen een goddelijke waarborg, maar een goddelijk gezag.
Bewijs voor de godheid van Jezus Christus.
Indien Jezus Christus zelf verklaard heeft dat Hij in de echte zin van het woord God is, evenals Zijn hemelse Vader, dan is Hij ook waarachtig God. - Waarom? - Wel, wij hebben u uitgelegd hoe Jezus Zijn mirakelen gedaan heeft om de waarheid van Zijn woorden te bevestigen. Als Christus dan leert, hetzij uitdrukkelijk door Zijn woorden, hetzij door Zijn manier van optreden, dat Hij waarlijk God is, dan is de waarheid van Zijn leer in Zijn mirakelen bekrachtigd.
Wij zullen u aantonen dat Christus uitdrukkelijk gezegd heeft dat Hij God was en dat Hij door Zijn manier van optreden herhaaldelijk Zijn godheid heeft getoond. Dan lijdt het niet de minste twijfel meer : Jezus Christus is waarachtig God, de Zoon van de hemelse Vader, zoals Hij zich noemt.
Twee feiten zullen wij u dus moeten aanwijzen in het Evangelie :
- Door Zijn optreden heeft Christus getoond dat Hij God was en
- Christus heeft uitdrukkelijk de goddelijke rechten voor zich opgeëist.
Jezus Christus toonde door Zijn optreden dat Hij waarlijk God was
Uit de lezing van het Evangelie blijkt ten eerste dat de Apostelen en allen die regelmatig met Christus omgingen persoonlijk overtuigd waren dat Jezus God was.
Wanneer Petrus in naam van al de Apostelen op de vraag van Jezus : "Wie zegt gij dat Ik ben?" plechtig verklaart : "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God" (Matt. 16, 15-16), dan blijkt uit de samenhang van vraag en antwoord dat Petrus de godheid van Christus verkondigt. Nu, Jezus verbetert dat antwoord hoegenaamd niet. Hij laat Petrus de godheid van de Meester openlijk belijden.
Nog veel minder kunnen wij twijfelen aan de betekenis van de woorden die de Apostel Thomas uitsprak bij de verschijning na de Verrijzenis : "Mijn Heer en Mijn God" (Joh. 20, 28). Jezus verbetert ook Thomas niet, maar zegt hem : "Omdat gij Mij gezien hebt, gelooft gij? Zalig die niet zagen en toch geloofden!" (Joh. 20, 29).
De Apostel en Evangelist Johannes besluit het verhaal van deze verschijning met de woorden : "Deze wonderen zijn beschreven, opdat gij geloven moogt dat Jezus de Christus is, de Zoon van God" (Joh. 20, 31). De Apostelen waren dus overtuigd dat hun Meester waarlijk God was. Zo hadden zij Hem begrepen. Ware het nu Jezus' bedoeling niet geweest dat aan de mensen voor te houden, dan had Hij de Apostelen in hun overtuiging moeten verbeteren of wij zouden Hem niet anders kunnen noemen dan een listig bedrieger.
Ten andere, niet alleen de Apostelen hadden de betekenis van Jezus' doen en laten in die zin verstaan. Ook de joden, in ‘t bijzonder de priesters, de Farizeeën en schriftgeleerden, Jezus' ergste vijanden, hadden Zijn doening begrepen. Juist deze aanklacht gaan zij tegen Christus bij de Romeinse landvoogd Pilatus indienen : "Wij hebben een Wet en volgens de Wet moet Hij sterven, omdat Hij zich voor Zoon van God uitgegeven heeft" (Joh. 19, 7). Zij hadden de lering van Christus duidelijk begrepen. Daarom spotten zij met Hem onder het Kruis : "Indien Gij Zoon van God zijt, kom af van het Kruis!" (Matt. 27, 40).
Voor een ieder die zonder vooroordeel het Evangelie leest, is het duidelijk dat Jezus in Zijn optreden, in Zijn woorden en daden zich heeft voorgedaan als God, als de Zoon van de ware God. Zo hebben Hem Zijn vrienden en ook Zijn vijanden begrepen. En Christus heeft die indruk niet willen wegnemen; integendeel, Hij heeft Zijn mirakelen gedaan, opdat de mensen in Zijn woorden zouden geloven : "Al gelooft ge Mij niet, gelooft dan aan de werken" (Joh. 10, 38).
Christus heeft uitdrukkelijk verklaard dat Hij God was en de goddelijke rechten opgeëist
In Zijn gewone sermoenen spreekt Jezus op zodanige manier over Zichzelf dat Zijn toehoorders de indruk moeten hebben dat Hij meer is dan een mens. Want, wat ieder nadenkend mens te allen tijde alleen aan God heeft toegekend, eigent Christus zich uitdrukkelijk toe. "Ik ben het licht der wereld" (Joh. 8, 12). "Ik ben de weg en de waarheid en het leven" (Joh. 14, 6). "Ik ben de verrijzenis en het leven; wie in Mij gelooft, zelfs al is hij gestorven, zal in eeuwigheid niet sterven" (Joh. 11, 25). "Gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, aldus maakt ook de Zoon levend wie Hij wil" (Joh. 5, 21). "Wat gij de Vader vragen moogt, dat zal Hij u in Mijn naam geven" (Joh. 16, 23).
Ge zult zeggen : wat betekent dat? - Veronderstelt eens dat al deze woorden uitgesproken werden door iemand die maar gewoon mens is. Wat een onzin! Die woorden hebben alleen maar betekenis in de mond van God zelf, Die waarlijk de weg is, de waarheid en het leven, Die aan iedereen het leven geeft zoals Hij wil.
Sterker nog! Jezus toont in Zijn woorden en daden dat Hij waarlijk de goddelijke volmaaktheden en machten bezit. Hij noemt zich eeuwig! "Verheerlijk Gij Me bij U, Vader, met de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond" (Joh. 17, 5). Christus toont dat Hij alles weet, dat Hij de meest verborgen geheimen van ‘s mensen hart doorgrondt. Hij laat zien dat Hij almachtig is. Andere wonderdoeners hebben hun wonderen verricht in naam van God, door een bijzondere kracht die op hen was overgedragen; Jezus doet Zijn verbluffende mirakelen in eigen naam. Hij beveelt aan mensen, aan duivelen en aan de natuurkrachten als Heer en Meester : tot de zoon der weduwe van Naïm : "Jongeling, Ik zeg u, sta op" (Luk. 7, 14). Tot de melaatse : "Ik wil, wees gereinigd!" (Matt. 8, 3). Christus beveelt aan de duivelen : "Stomme en dove geest, Ik gebied u, ga van hem uit" (Mark. 9, 25).
Jezus gebruikt Zijn macht waar en wanneer Hij wil. Hij droeg zelfs Zijn goddelijke macht over op Zijn leerlingen. Zij ook zijn op predikatietocht geweest tijdens Jezus' openbaar leven en komen Hem later vertellen dat alles hun onderdanig was, zelfs de duivelen (cf. Luk. 10, 17).
Gedurende Zijn predikatieleven heeft Christus nochtans niet rechtstreeks aan de mensen verklaard dat Hij God was. Hij deed Zijn mirakelen om de waarheid van Zijn woorden te bekrachtigen. Gewoonlijk liet Hij alleen maar verstaan dat Hij meer was dan een mens en de kwamen, mocht het eenvoudig volk van de straat aan tafel gaan (cf. Matt. 22, 2-10). De landbouwers, die de wijngaard huurden, hebben de bedienden en zelfs de zoon, van hun werkgever mishandeld en gedood (cf. Matt. 21, 33-42). Christus voorzegt in deze parabel dat Hij door Zijn eigen volk zal verworpen en doodgemarteld worden.
Het Rijk Gods zou van de joden afgenomen worden en aan anderen gegeven, die het meer op prijs zouden stellen. Deze universele uitbreiding van Christus' Rijk was nochtans al voorspeld vanaf het begin van Zijn openbaar leven : "Ik zeg u dan dat velen van het Oosten en het Westen zullen aanliggen met Abraham, Isaac en Jacob in het rijk der hemelen. Doch de zonen van het rijk zullen eruit geworpen worden in de duisternis daarbuiten" (Matt. 8, 10-12).
Deze universele uitbreiding van Christus' werk werd door Hemzelf aan de Apostelen opgedragen. Zij moeten gaan en alle volkeren onderwijzen. Hen dopen, d.w.z. inlijven in de nieuwe godsdienst en hen alles leren onderhouden wat Christus geboden had. Dan zou Hij ook met hen zijn tot het einde der tijden (cf. Matt. 28, 19). De godsdienstige vereniging door Christus ingericht is voor alle mensen bestemd bij alle volkeren, in alle tijden.
Dit mag ons besluit zijn uit de teksten van het evangelieverhaal. Christus heeft de mensen rond zich willen scharen in een godsdienstige vereniging. Eerst heeft Hijzelf getracht aan Zijn volk de voorkeur te geven, maar wegens de tegenstand van de leiders werd het joodse volk verworpen. Hij vormde nochtans bij hen een kern van leerlingen aan wie Hij de wereldverovering opdroeg.
