Het lijden is een algemeen verschijnsel. Niemand ontsnapt aan zijn greep. Het wacht elke mens op die ter wereld komt en vergezelt hem tot aan zijn laatste levensadem.
Het lijden treft iedereen; het legt beslag op geheel de mens : op zijn lichaam, op zijn ziel, op zijn hart, op zijn geest. Zijn rijk strekt zich uit over de verschillende krachten die de mens in zich draagt.
Het lijden, net als het kruis, zijn hoogste en meest sprekende zinnebeeld, is voor de enen "ergernis"; voor anderen "dwaasheid"; voor anderen nog, opperste bewijs van getrouwheid, kostbaar middel tot volmaaktheid, vruchtbare kiem van eeuwige glorie.
Naargelang een mens al of niet leeft uit geloof en liefde, is zijn houding tegenover het lijden verschillend; instinctmatig schuwen de meesten het lijden als een vervaarlijke vijand, wat het, van louter natuurlijk standpunt uit bekeken, ook werkelijk is; anderen aanvaarden het met een glimlach als een boodschapper van genaden. Voor de enen blijft het lijden zonder vrucht; voor anderen kan het een gevaar worden; voor anderen nog is het een middel tot verlossing en tot heiliging.
Dienvolgens is het hoogst gewichtig het lijden te kunnen aanvaarden, en is het een edel werk van barmhartigheid - een moeilijke wetenschap, een fijne kunst - de zielen te helpen om hun kruis gewillig te dragen.
Uit ‘Het lijden en wij' van Dom Columba Marmion
