stpiusx.nl |
stpiex.be
|
|||
4.4
De bijbel zegt: "Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet". De heiligen kunnen dus de gebeden op aarde niet kennen.Om voor anderen te bidden, is het volstrekt niet nodig, dat men al hun behoeften in bijzonderheden kent. Beter is daarom de verklaring: God toont Zich meer als Vader dan onze stamvader Abraham en de aartsvader Jacob, want die willen niets van ons weten. Dat de heiligen onze gebeden kennen volgt hieruit, dat de H. Schrift leert, dat wij in de hemel God van aangezicht tot aangezicht zullen zien. Daardoor ziet men alles wat God doet, dus ook de gebeden op aarde, dar die, als alles wat op aarde geschiedt, van Gods almacht afhankelijk zijn. Wel spreekt de H. Schrift niet over aanroeping van heiligen. Voor het Oude Testament is dit zeer begrijpelijk. Men had toen nog geen klaar begrip over het leven na de dood. Zie bijv. Job 14:10: "Maar als een man sterft als hij verzwakt is, en de mens geeft de geest: waar is hij dan?" v. 14: "Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zoude alle de dagen mijns strijds hopen, totdat mijne verandering komen zoude En Ps. 6:6: "Want in de dood is Uwer, gene gedachtenis; wie zal U loven in het graf?" Ps. 30:10: Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven, zal het uwe waarheid verkondigen?" Ps. 88:12-13: "Zal uw goedertierenheid in het graf verteld worden, uw getrouwheid in het verderf? Zullen uw wonderen bekend worden in de duisternis, en uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?" Ps. 115:17: "De doden zullen de Here niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn". Men neemt aan, dat de zielen van degenen die in het Oude Testament in staat van heiligmakende genade stierven, de hemel nog niet konden binnengaan, omdat Christus de Verlossingsdood nog niet gestorven was. Ook in de boeken van het Nieuwe Testament leest men echter nog niet over de aanroeping van de heiligen in de hemel. Men kan hierin met reden een bijzondere voorzienigheid zien, wegens het groot gevaar voor afgoderij, dat nog steeds aanwezig was, zolang er nog niet veel christenen waren. Een dergelijke voorzichtigheid moet men immers ook veronderstellen ten opzichte van de slavernij. Deze was nog wel lijnrecht in strijd met Christus' voornaamste gebod van de naastenliefde, en toch drongen de apostelen alleen maar aan op een betere behandeling der slaven, omdat afschaffing voorlopig onmogelijk was. Toch zien we in de Overlevering al spoedig aanroeping van heiligen.
|
|||
|
|||