stpiusx.nl |
stpiex.be
|
|||
4.18
De kerkelijk vasten- en celibaatswet zijn in strijd met de vrijheid van het evangelie.Dezelfde Paulus, die in Gal. 5:1 deze vrijheid leert met de woorden: "Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen", gaf zelf bevelen, o.a. in 1 Tim. 2:12: "Doch ik laat de vrouw niet toe dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil dat zij in stilheid zij". Bij Paulus slaat het dus niet op iedere kerkelijke wet, maar alleen op de Wet die hij in dit verband met name noemt, de joodse Wet. Christus en de apostelen spoorden door woord en voorbeeld aan tot vasten en de ongehuwde staat. Christus spoorde aan tot vasten in Matth. 4:2, 6:16-18, 9:14-15, 17:21; tot het celibaat in Matth. 19:10-12. De apostelen spoorden aan tot vasten in 2 Cor. 11:27, 2 Cor. 6:5, Hand. 13:2-3; tot het celibaat in 1 Cor. 7:8-38. Bijv. Matth. 9:15: "Maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen weggenomen zal zijn, en dan zullen zij vasten". Matth. 17:21: "Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten". Matth. 19:10-12: "Zijn discipelen zeiden tot Hem: "Indien de zaak des mensen met de vrouw alzó staat, zo is 't niet oorbaar te trouwen. Doch hij zeide tot hen: "Allen vatten dit woord niet, maar wie het gegeven is. Want daar zijn gesnedenen die zichzelf gesneden hebben om het Koninkrijk der hemelen: die het vatte kan, vatte het". Hand. 13:3: "Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij ze gaan". 1 Cor. 7:8: "Doch ik zeg de ongetrouwden en de weduwen: het is hun goed indien zij blijven gelijk als ik". Vasten en celibaat vallen de zinnelijke menselijke natuur zwaar, zodat men er niet licht toe overgaat. (zie: deel 1: vraag 16 en 17), de vasten- en celibaatswet ingesteld.
|
|||
|
|||