De H. Cecilia, een Romeinse maagd uit edele ouders geboren en van haar prilste jeugd af in het christelijk geloof opgevoed, had aan God belofte van eeuwige zuiverheid gedaan, doch werd naderhand tegen haar wil aan Valerianus ten huwelijk gegeven. Reeds de eerste nacht zei zij tot hem : "Valerianus! Ik ben onder de bijzondere bescherming van een engel gesteld, die mijn maagdelijke reinheid bewaakt. Veroorloof u dus niets jegens mij wat Gods gramschap tegen u zou opwekken." Door deze woorden verschrikt, durfde Valerianus niets tegen haar ondernemen en verklaarde daarenboven dat hij in Christus zou geloven, indien hij de engel zag die haar beschermde. Cecilia antwoordde dat hij die maar eerst zou kunnen zien, nadat hij het Doopsel ontvangen had. Valerianus, brandend van begeerte om de hemelgeest te aanschouwen, wenste gedoopt te worden. Zijn maagdelijke bruid zond hem naar de H. Paus Urbanus, die omwille van de heersende vervolging een schuilplaats had moeten zoeken in de catacomben, gelegen aan de Appische weg. Daar kwam Valerianus bij hem en ontving uit zijn handen de genade van het Doopsel. Bij zijn terugkeer vond hij Cecilia biddende en zag aan haar zijde een engel staan door een hemels licht omstraald. Eerst was hij hevig ontsteld, doch tot zichzelf gekomen spoedde hij zich naar zijn broeder Tiburtius, aan wie hij de wonderlijke gebeurtenis verhaalde. Ook deze bekeerde zich tot Jezus Christus en had eveneens het geluk om na zijn Doopsel de bijzondere beschermengel van Cecilia te mogen aanschouwen. Spoedig werd het heilig drietal op bevel van de keizerlijke prefect Almachius gevangen genomen. Deze, belust op Cecilia's rijkdommen, vroeg haar waar zij haar rijkdom had verborgen, doch de maagd antwoordde dat zij al haar bezittingen aan de armen had uitgedeeld. Door dit antwoord in woede ontstoken gelastte de heiden dat men haar in de badkamer van haar eigen woning door het vuur zou doen omkomen. Gedurende een dag en een nacht bleef zij aan de vlammen blootgesteld, die haar echter niet het minste letsel toebrachten. Toen zond Almachius een van zijn lijfwachten met het bevel haar te onthoofden. Driemaal werd de maagd door het zwaard aan de hals gewond, maar eerst de derde dag stierf zij en ging zij met de palm van het maagdom en het martelaarschap de hemel binnen.
De H. Cecilia beoefende de toonkunst en zong, gelijk David, onder harp- en snarenspel haar lofliederen tot de Heer; zij wordt dan ook als de bijzondere patrones van de zangers en toonkunstenaars aangeroepen en vereerd. Het graf van de heilige werd door Paus Paschalis I ontdekt en geopend; zij lag in een met goud doorweven kleed, niet als een dode maar als een slapende; aan haar voeten was het lijnwaad neergelegd dat met haar bloed doortrokken was. Door Paus Clemens VIII werden haar heilige overblijfselen in een zilveren kist gesloten en met grote luister overgebracht naar de kerk, die te Rome aan haar roemrijke nagedachtenis is toegewijd.
Uit 'Levens der Heiligen voor alle dagen des jaars' door H.W.J. Van Hertum, R.K. Priester
